7 mei 2018

Buitenspelen in de stad: van postzegeltuin naar collectieve groenruimte

Naar aanleiding van de start van het buitenspeelseizoen deelt Thomas de Jong, CDO van CORES Development, zijn visie over de toekomst van de buitenspeelmogelijkheden in de stad. ‘We moeten actief investeren in de kwalitatieve inplanting van collectieve buitenruimtes in onze steeds meer verdichte samenleving.’

De afgelopen decennia kwamen er jaarlijks meer mensen naar de stad dan dat er weggingen. Dat is niet altijd zo geweest: in de jaren tachtig trokken juist meer mensen van de stad naar de buitengebieden. Vooral jongeren trekken naar de stad, mede doordat het hoger onderwijs zich nu eenmaal in de steden bevindt. De kans is ook groot dat afgestudeerden er nadien ook blijven wonen. Er is veel werkgelegenheid en op elke hoek van de straat valt er wel iets te beleven. Mensen zijn ook de files beu, en kiezen daarom voor een woning in de buurt van hun werk of op korte afstand van voorzieningen voor openbaar vervoer.

 

Op die manier zien dat vele steden groeien en verjongen, terwijl veel kleinere gemeentes juist krimpen en vergrijzen. Toch lezen we in de media vaak verhalen over jonge gezinnen die toch naar ‘den buiten’ trekken omwille van de groene omgeving.  Als we echter op lange termijn nadenken, dan weten we dat we gaan moeten verdichten, want de verkavelingen zijn niet langer houdbaar. 

 

We hebben niet veel andere keuze dan de beschikbare buitenruimte te delen en zo in te zetten op een aangenamere binnenstedelijke omgeving. Mensen moeten verleid worden om met elkaar samen te leven in de stad. Uit eigen onderzoek merken we reeds dat steeds meer mensen een kleinere tuin, aangevuld met voldoende gedeeld groen, als volwaardig alternatief zien voor de eigen postzegeltuin.

Kinderen hebben buitenruimte broodnodig

Vergelijkende studies laten zien dat kinderen in steden minder buiten spelen dan kinderen in buitenwijken en op het platteland. Bij kinderen is één uur per dag matige tot intense beweging nochtans nodig voor een goede gezondheid. En als ze toch zouden moeten kiezen, zien we dat ongeveer de helft van de kinderen aangeeft dat ze dikwijls liever buitenspelen dan binnen.

Terwijl het aantal jonge mensen in de stad toeneemt, blijven investeringen in voorzieningen vaak uit, waardoor er een groeiend tekort is aan vrijetijdsplekken voor kinderen en jongeren, zowel in de binnen- als buitenruimte. De toenemende diversiteit in de stad, brengt ook steeds meer diverse vrijetijdsbestedingen met zich mee. En voor deze vormen van jeugdig experiment, is véél meer extra ruimte nodig dan een tuin de grootte van een postzegel. Extra ruimte, die er in de stad niet is, maar die kinderen wel nodig hebben.

Gedeelde verantwoordelijkheid met steden en gemeenten

Het gebrek aan voorzieningen en buitenruimtes beïnvloedt de vrijetijdsbesteding en de algemene ontwikkeling van kinderen en jongeren. Het is dan ook de taak van de overheid om te investeren in meer groene publieke, maar ook semi-publieke plekken.

Er wordt nog heel wat ruimte onderbenut. In onze steden en dorpen staan te veel gebouwen leeg en worden waardevolle sites niet gebruikt voor reconversieprojecten. Deze onderbenutte ruimte delen met kinderen, jongeren en hun organisaties biedt heel wat mogelijkheden om duurzamer en efficiënt om te gaan met onze beperkte ruimte en om plaats te geven aan jong engagement.

Architecten en ontwikkelaars hebben de gezamenlijke plicht projecten uit te werken die beantwoorden aan de verwachtingen van de toekomstige bewoners van onze steden en gemeenten. De bouwtechnische en technologische vernieuwingen -maar ook verplichtingen- van de laatste vijf jaar zijn enorm, maar de wettelijke mogelijkheden zijn amper gewijzigd. Te vaak nog worden we gebonden door een verouderd wetgevend kader.

De nieuwe open stad is bottom up: een stad die van de mensen is en waarbij we het beste uit twee werelden combineren, namelijk de stedelijkheid in de luwte, opdat de voordelen van een stad gecombineerd worden met de voordelen van een dorp.